Erwin Damhuis

31 mei Devil's bridge

  • (0) comments
  • 05/08/2022
31 mei 2022. Vandaag staat de Devil’s bridge op het programma. De weersvooruitzichten zijn niet echt denderend, gelukkig hebben we onze regenkleding mee. Het is niet ver rijden en als we aankomen zit alles nog dicht. Op de parkeerplaats staat slechts één auto, dus alle ruimte. Je kunt de Devil’s bridge op via een draaihek, dat je twee Engelse ponden hebt betaald. Het draaihek is beslist niet gemaakt voor wat corpulente mensen. Wij konden er amper doorheen.
Volgens de legende zou de eerste brug zijn gebouwd door de duivel. Het verhaal gaat dat een oude vrouw haar koe kwijt was en uiteindelijk terugvond aan de overkant van de kloof. Het was voor haar onmogelijk om daar te komen, dus bood de duivel aan een brug te bouwen in ruil voor haar ziel. Maar deze vrouw was niet gek en gooide een stuk brood naar de overkant, waarna haar hond een passage naar de overkant vond. Op die manier kon de vrouw haar koe terugkrijgen. Leuk verhaal, maar het is aannemelijker dat monniken van de Strata Florida Abdij de brug in de elfde eeuw hebben gebouwd. De Welsh naam van de brug is Pontarfynach wat betekent: de brug over de rivier Mynach.
De Devil’s bridge zijn eigenlijk drie bruggen opeengestapeld. De eerste werd dus rond de elfde eeuw gebouwd en is nog duidelijk zichtbaar. Daar overheen werd in 1814 een tweede brug gebouwd en in 1901 werd de derde brug gebouwd, waarover het verkeer raast. De Devil’s bridge is al ruim 200 jaar een toeristische attractie.
Nadat we het draaihek zijn gepasseerd begint de afdaling naar één van de spectaculairste watervallen van Wales. Deze waterval is 300 voet hoog, dus ruim 90 meter. Het is een combinatie kleine en grote watervallen die uiteindelijk uitkomen in een bassin. Je moet 675 traptreden op en af om alles te kunnen zien. Halverwege loopt het pad via een halfronde boogbrug die een spectaculair zicht biedt op de waterval. Deze brug werd in 1867 gebouwd, omdat er toen al sprake was van toerisme. Iets verderop bevindt zich de Robber’s Cave. We hebben geluk want het begint ineens flink te regenen en hier staan we in ieder geval droog. Volgens de legende werd deze grot als schuilplaats gebruikt door een drietal rovers, die de Bat’s Children werden genoemd. Het waren inderdaad kinderen, twee broers en een zus. Zij ontdekten ooit de grot en hebben deze verborgen gehouden. Op latere leeftijd keerden de broers terug naar de grot en gebruikten deze als uitvalsbasis om reizigers te overvallen en te beroven. Ze sliepen dan in deze grot en de zus voorzag hen regelmatig van eten en drinken. Op deze wijze hebben ze jarenlang reizigers overvallen en de buit verstopten ze in de grot. Op een donkere nacht ging het echter mis. Ze overvielen een man die als gevolg van de overval overleed. Omdat het een persoon met aanzien was, werd alles op alles gezet om de daders te achterhalen. Met behulp van speurhonden werd de jacht ingezet en niet veel later werden de daders in de grot achterhaald en gevangengenomen.
De twee broers werden in Rhayadar opgehangen en de zus werd op de brandstapel ter dood gebracht. Om te voorkomen dat de grot opnieuw als schuilplaats werd gebruikt, werd deze onbruikbaar gemaakt. Een spannend verhaal dat mij doet denken aan ‘onze’ eigen moordenaar Huttenkloas.
Na een uur stopt de regen en vervolgen we onze weg naar boven. De zon begint zelfs te schijnen en maakt van de vallei een sprookjesachtig geheel. We zien zelfs een waterspreeuw in de weer. Uiteindelijk bereiken we de uitgang, steken de straat over en proppen ons aan deze zijde door het draaihek. Vanaf deze plek zijn de drie bruggen prima te zien. We zijn net beneden als de sluizen weer worden opengetrokken. We sprinten naar boven om onder een afdak te schuilen. Na een kwartier een tweede poging en nu lukt het om mooie foto’s en films te maken van de spectaculaire waterval en de drie bruggen.
Nadat we ons weer naar buiten hebben gepropt, wandelen we naar de chocolate shop. Echter, de prijzen zijn hier waanzinnig hoog, dus besluiten we aan de overkant bij het kleine treinstation wat te eten en te drinken. We zijn amper binnen of de trein komt aan en loost een hele vracht passagiers die zich als hongerige gieren op het kleine restaurant storten. Dat geeft ons vervolgens weer de tijd om rustig foto’s van de locomotief te maken en een praatje te maken met een 71-jarige Londenaar die op zijn elektrische fiets rondtoert in Wales. Hij heeft al behoorlijk wat kilometers in de benen en is de komende dagen van plan nog meer kilometers te draaien. Hij stelt de vraag of we overwegen om in Groot-Brittannië te gaan wonen. Lastig te beantwoorden vraag. Op de vraag wat ons favoriete deel van GB is, is een duivels dilemma om te beantwoorden. Dus dat doen we dan ook maar niet.
Nog even snel neuzen in de shop bij het station en dóór.
Opeens zien we een rode wouw vliegen en niet veel later landt deze op een tak. We hebben prima zicht op dit prachtige dier en het lukt om mooie foto’s en een filmpje te maken.
In Wales zijn veel mooie plakken verscholen. We hadden de St. John’s Baptist Church al gezien en nu toch maar even stoppen. Deze kerk werd in het verleden veelvuldig bezocht door de vele mijnwerkers en schaapsherders. Nu ligt ie er verlaten bij. De graven zien we onverzorgd uit. Ik ontdek een graf uit 1857 en iets verderop is nog iemand in 2021 begraven. Deze site staat ook bekend als Ysbyty Cynfyn en volgens onderzoekers was deze plek ooit een heilig oord. In de muur rondom de kerk staan enkele grote stenen rechtop en met vermoed dat hier ooit een steencirkel was. Een andere legende verhaalt dat hier ooit een herberg was gevestigd voor reizigers die op weg waren naar de Cistercian abdij van Strata Florida. Er waren voorzieningen zoals eten, drinken en een bed. Volgens de legende zouden de hospitaalridders onder leiding van ridder St. John deze voorziening hebben uitgebaat. Zoals alle kerkhoven heeft ook dit kerkhof een droevig verhaal. Op 17 februari 1856 werd een vierling geboren en deze waren alle eind maart 1856 aan de gevolgen van tyfus overleden. In diezelfde maand overleden ook de vader, de jongste zoon en een dochter. Op de grafsteen staat de volgende tekst: ‘From the same womb the same day we came. From the same breasts we suckled, in the same grave we lie together. On the same day we’ll rise again.’
We verlaten het kerkhof en wandelen in de richting van de Rheidol Valley, een beschermd natuurgebied in een grote vallei. Hiervoor moeten we een flinke afdaling maken maar het is de moeite waard. Door de oude bossen wandelend ontwaart zich opnieuw een woeste stroom met verschillende watervallen. Het bos is overigens vrij nieuw, want in de Eerste Wereldoorlog werden de oorspronkelijke bossen gekapt voor de koolmijnen in zuid Wales. Na deze oorlog heeft men de natuur haar gang laten gaan en wandel je door een fantastisch gebied. We kunnen door wandelen tot aan de Devil’s bridge, maar besluiten om dat vandaag niet te doen. Het is mooi geweest.
Het is tijd voor het avondeten en hiervoor rijden we naar Aberystwyst aan de kust. We vinden al snel een parkeerplaats, vlak bij het politiebureau. Daar snel een foto gemaakt en een praatje met een Welsh agente. Via twee bruggen de stad in gelopen. Aan de kust staan de resten van wat ooit een machtig kasteel was: Aberystwyth castle. Het werd in 1277 gebouwd door koning Edward I. Alweer hij. Hij wilde de controle hebben over het gebied rondom Llywellyn ap Gruffydd. In 1289 werd de bouw voltooid en het kostte destijds 4.300 Britse ponden. Voor die tijd een kapitaal. In 1404 wordt het kasteel belegerd door Owain Glyndwr, een afstammeling van de prinses van Gwynedd. Hij verovert het kasteel en blijft tot 1408 de eigenaar. In 1637 krijgt Thomas Bushell toestemming van Koning Charles I om munten te slaan in het kasteel. Tijdens de burgeroorlog wordt het kasteel belegerd door de legers van Cromwell. In 1649 geeft hij opdracht het kasteel af te breken. Zo rond 1740 komen de eerste toeristen naar het kasteel en al snel wordt het een romantische pleisterplaats. In 1988 wordt een skelet opgegraven dat tegenwoordig wordt tentoongesteld in het plaatselijke museum.
Iets verderop staat een groots monument voor de gevallenen uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Het werd eind jaren tachtig opgericht. Iets verderop staat een bankje dat herinnert aan 100 jaar vrede.
We lopen terug, op zoek naar fish and chips. Uiteindelijk gevonden en in de avondzon lekker opgegeten. Daarna nog een wandeling langs het strand, een ijsje met een flake en daarna weer richting huisje.