Carl Heller


  •   maandag 11 maart 2019

Carl Heller - Mijn leven als frontsoldaat tijdens de Eerste wereldoorlog.
Carl Heller - My life as a front soldier during the First World War. For English: see below.
 
Jarenlang lagen zijn memoires in een brandkast. Na bijna 85 jaar is het aangrijpende relaas van Carl Heller over zijn ervaringen als frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog in 2003 in druk verschenen. Wat zijn boek onderscheidt van alle oorlogsverslagen over Verdun, Arras en Ieper: Carl Heller kwam uit Hengelo. Op woensdag 19 november 2003 publiceerde een regionale krant een uitgebreid artikel over deze soldaat.
 
Een ogenblik valt er een stilte als hij het kleine, stevig uitgevoerde schrift openslaat. Zoals alle dingen die aan zijn schoonvader Carl Heller herinneren, behandelt Kees Robertus ook dit kostbare kleinood met eerbied. ‘Ter herinnering aan Kerstavond 1924’, staat op de eerste bladzijde geschreven. ‘Het was’, leest hij de openingszin, ‘juli 1915, toen we na drie maanden in Duitsland geëxerceerd en geoefend ten hebben en gedrild en voor het oorlogsbedrijf te zijn afgericht, definitief naar het front vertrekken.’
 
Carl Heller overleed in 1982 en heeft nooit toegestaan dat zijn herinneringen in boekvorm werden gepubliceerd. Dat dit in 2003 alsnog gebeurde, is te danken aan zijn schoonzoon Kees. ‘Ik zie het als een hommage aan hem.’
Dat het boek er is gekomen berust op een wonderlijk toeval. ‘Mijn schoonvader (Carl Heller. Red.) had in de jaren zeventig een getypte versie geschonken aan het oorlogsmuseum in Schagen. Wij wisten daar niets van. Via dat museum kwam het terecht bij Hans Andriessen, een bekend historicus van de Eerste Wereldoorlog. Die man heeft zich vervolgens bij de gemeente Hengelo gemeld om in contact te komen met de nazaten van Carl Heller. Maar daar wist men van niets.
‘Andriessen ging er van uit dat niemand meer leefde. Totdat hij tijdens een lezing ons, mijn vrouw en ik, tegen het lijf liep. Ik vertelde hem dat mijn schoonvader nog in de Eerste Wereldoorlog had gevochten. Toen hij vroeg hoe hij heette, zei ik ‘Carl Heller.’ Andriessen was werkelijk geschokt. Eigenlijk onmiddellijk heeft hij toen gevraagd of hij het boek mocht uitgeven.’
 
Carl Heller werd op 27 juli 1894 in het Duitse Elberfeld geboren. In 1900 kwam hij met zijn ouders naar Hengelo, waar zijn vader – met Eduard Verkade, de latere acteur – een van de oprichters was van de Hengelose Trijpweverij. Verkade en Heller Sr hadden elkaar in een Duitse fabriek leren kennen en waren vrienden geworden.
De jonge Carl ging tot zijn veertiende in Hengelo naar school. Daarna kwam hij in dienst van de weverij. In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Carl was nog steeds in het bezit van de Duitse nationaliteit en werd daarom opgeroepen voor militaire dienst. Na een korte opleiding en een wachtperiode (waarin hij nog even in een textielfabriek werkte) vertrok hij in 1915, als lid van de Eerste Compagnie van het 145ste Regiment Infanterie van de 34e Infanterie Divisie, naar de ‘velden van eer.’
In zijn memoires, die jij in 1919 op basis van tijdens de oorlog geschreven brieven als een samenhangend relaas aan het papier toevertrouwde, vertelt hij wat er tijdens de drie oorlogsjaren met hem gebeurde. Heller vocht in het Argonner Woud (1915), bij Verdun (1916), bij Cambrai, Arras en in Vlaanderen (1917 en 1918). Hij nam deel aan stormaanvallen, verdwaalde in niemandsland, sliep tussen de lijken, raakte drie keer gewond en ontvang in 1917 het IJzeren Kruis.
 
Zijn verhaal is van verbijsterende nuchterheid. Als een noodweer dat hem en zijn generatie heeft overvallen: ze beschrijft hij de mensonterende strijd in de loopgraven. Heller maakte het onbeschrijflijke mee, maar weet toch de woorden te vinden om het op papier te zetten. Ondanks grote gevoelens van angst en twijfel, verzaakt hij geen moment. Omdat, zoals hij zelf schrijft, het moest en elders kameraden op hem rekenden. Om uiteindelijk toch te overleven en in alle nuchterheid vast te stellen dat een mens veel kan doorstaan, ‘veel meer dan hij zelf gelooft.’
Bij de wapenstilstand op 11 november 1918, lag Heller in het ziekenhuis. Hij had het inmiddels geschopt tot onderofficier. Van het oorspronkelijke bataljon was praktisch niemand meer over. Met kerst 1918 kon hij terugkeren naar Hengelo. Zijn ouders had hij tijdens slechts één keer gezien tijdens een verlof.
Zijn ontslagbrief heeft hij waarschijnlijk zelf geschreven. In Hengelo ging hij vrijwel onmiddellijk weer aan het werk. Heller werd bedrijfsleider van de Trijpweverij. In 1928, tien jaar na de oorlog, trad hij in het huwelijk. Hij kreeg een dochter en, een paar jaar later, de Nederlandse nationaliteit.
Van de Duitsers houdt hij zich tijdens de volgende oorlog afzijdig. Bombardementen jagen hem schrik aan. In de kelder onder zijn huis aan de Kievitstraat brengt hij in het midden een houten stutbalk aan. Hier moet zijn dochter zitten, als – in 1944 – om hem heen opnieuw de bommen vallen. Bij zijn veertig jarig jubileum krijgt hij een koninklijke onderscheiding. Vermoedelijk is Carl Heller een van de weinige Nederlanders die zowel een Nederlandse als een Duitse onderscheiding hebben. In 1982 overlijdt hij, bijna 89 jaar oud, in Hengelo.
 
Kees Robertus herinnert zich zijn schoonvader als een uiterst plezierige, zelfs vrolijke man. ‘Hij kon schitterend vertellen. Kinderen uit de buurt waren gek op hem. Dan vertelde hij voer de baron von Münchhausen, en andere sprookjes uit zijn jeugd. Ja, over de oorlog vertelde hij ook. Maar alleen de leuke, vrolijke dingen.’
‘Over de keer dat ze me een compagnie in een stal sliepen en ze zich afvroegen of er nog verschil was in plasrichting tussen vrouwelijke en mannelijke paarden. Waarop natuurlijk prompt één van die dieren begon te plassen. Over het schrikkelijke sprak hij echter niet. Hij vertelde er als het ware omheen. Dan moet je maar lezen wat ik gelezen heb, zij hij altijd.’
Binnen de familie worden – behalve het manuscript – nog enkele andere kostbare kleinoden bewaard: het ijzeren kruis van Carl Heller, zijn bril. Feldpostkarten (Met steeds weer de tekst: ‘Es geht mir gut’) en een horloge, dat hij droeg toen hij in een granaattrechter bij Verdun letterlijk door de modder werd bedolven en waaraan nog altijd de aarde van het slagveld kleeft.
‘Al die dingen heeft hij bewaard. Ze lagen bij hem thuis in een bureau. Dat bewijst dat hij toch veel aan die oorlog moet hebben gedacht. Toch is hij maar één keer terug geweest. In 1962, twee jaar nadat hij zijn eerste auto had gekocht. Met mijn schoonmoeder heeft hij toen alle plaatsen nog eens opgezocht waar hij gevochten had.’
 
Zijn instinct als frontsoldaat heeft Carl Heller nooit verlaten. In het voorjaar van 1940, toen de Duitse inval op handen was, ging hij elke dag bij het spoorwegtunneltje op de Enschedesestraat kijken of het wel gebarricadeerd was. ‘Hij dacht nog dat het zou helpen. De stellingenoorlog van 14-18 bepaalde zijn wereldbeeld. Bij de Trijpweverij liet hij loopgraven aanleggen. Zigzaggend, precies zoals hij ze nog kende van het westelijk front.’
Hoe zijn schoonvader zijn traumatische ervaringen een plaats heeft kunnen geven is ook voor Robertus een raadsel. ‘Hij had een ontzettend sterk karakter, een vaste wil om positief in het leven te staan, een plichtsbesef zoals hij dat ook in de oorlog had gehad. Achteraf denk ik wel eens: het feit dat hij dit allemaal direct heeft opgeschreven, is zijn redding geweest.’
‘Hij heeft de oorlog letterlijk van zich afgeschreven. Wie wou weten in wat voor een hel hij gezeten had, moest maar lezen. De eerste titel van het manuscript was niet voor niets: zo waren mijn frontjaren. Mijn schoonmoeder, een onderwijzeres, heeft het in 1924 voor hem in net schoonschrift opgeschreven en vermoedelijk uit het Duits vertaald. In 1924, met Kerst, gaf ze het hem cadeau. Ze was zelf ook een ingewijde geworden in zijn geheim.’
 
Uiterlijk was er niets aan Heller te zien. Hij liep mank, maar dat kwam niet door de Eerste Wereldoorlog. In 1928 gleed hij op de Twekkelerweg uit over een bevroren plas water en brak zijn heup. ‘Heb je de loopgraven overleefd, word je kreupel door een stukje ijs: als dat geen ironie is.’
 
Slechts één keer heeft Kees Robertus bij zijn schoonwater in al die jaren iets van een trauma bespeurd. ‘Het was een paar jaar voor zijn dood. Mijn vrouw was op een avond naar hem toe, maar belde op een gegeven moment in paniek naar me op. Vader stond in de gang, klemde zich vast aan de trapleuning en riep alleen maar: ‘Schiet me dood, schiet me dood!’ Zo snel als ik kon ben ik er naar toe gegaan. Hij stond er nog, met in zijn ogen een gitzwarte angst die ik nog niet eerder bij hem gezien had. Alsof het me werd ingegeven zei ik toen: ‘Kom op, oude frontsoldaat, zullen we samen naar boven gaan?’ Op datzelfde moment ontspande hij en ging mee…’
 
De oorlogsbrieven van onderofficier Carl Heller. Uitgeverij Aspekt. ISBN 90-5911-197-4 (Uitsluitend Nederlandse taal)
 
Bron: Twentse Courant – Tubantia – 19 november 2003. Klik hier voor het originele artikel (In Nederlands)
 
 
 
English
 
For years his memoirs were in a safe. After almost 85 years, Carl Heller's poignant story about his experiences as a front soldier in the First World War in 2003 appeared in print. His book reports about Verdun, Arras and Ieper. On Wednesday, November 19, 2003, a regional newspaper published an extensive article about this soldier.
 
For a moment there is a silence when he opens the small, firmly script. Like all things reminiscent of his father-in-law Carl Heller, Kees Robertus also treats this precious gem with reverence. 'In memory of Christmas Eve 1924', is written on the first page. 'It was', he reads the opening sentence, 'July 1915, when after three months we exercised and practiced in Germany and drilled and were trained for the war company, finally leaving for the front.'
 
Carl Heller died in 1982 and never allowed his memories to be published in book form. That this happened in 2003, is due to his son-in-law Kees. ‘I see it as a homage to him.’
That the book was published is based on a wonderful coincidence. ‘My father-in-law (Carl Heller, ed.) had donated a typewritten version to the War Museum in Schagen in the 1970s. We knew nothing about it. Through that museum, it ended up with Hans Andriessen, a well-known historian of the First World War. That man then reported to the city of Hengelo to come into contact with the descendants of Carl Heller. But they knew nothing about that.
'Andriessen assumed that no one lived anymore. Until he bumped into us, my wife and I during a lecture. I told him that my father-in-law had fought in the First World War. When he asked me who he was called, I said ‘Carl Heller.’ Andriessen was really shocked. Actually he immediately asked if he could publish the book.'

Carl Heller was born on July 27, 1894 in Elberfeld, Germany. In 1900 he came with his parents to Hengelo, where his father - with Eduard Verkade, the later actor - was one of the founders of the Hengelose Trijpweverij. Verkade and Heller Sr met in a German factory and became friends. The young Carl went to school in Hengelo until he was fourteen. Then he came into the service of the weaving mill. In 1914 the First World War broke out. Carl was still in possession of German nationality and was therefore summoned for military service. After a short training and a waiting period (in which he worked for a while in a textile factory) he left in 1915, as a member of the First Company of the 145th Infantry Regiment of the 34th Infantry Division, to the 'fields of honor.' In his memoirs, which you entrusted to the paper in 1919 on the basis of letters written during the war as a coherent story, he tells what happened to him during the three war years. Heller fought in the Argonne Forest (1915), Verdun (1916), Cambrai, Arras and Flanders (1917 and 1918). He took part in storm attacks, got lost in no man's land, slept between dead bodies, was wounded three times and in 1917 received the Iron Cross.
 
His story is of astonishing sobriety. Like a storm that overtook him and his generation: she describes the inhuman struggle in the trenches. Heller managed to find the words to put it on paper. Despite great feelings of fear and doubt, he never forsakes a moment. Because, as he writes himself, it had to be, and comrades counted on him elsewhere. To eventually survive and to determine in all sobriety that a person can endure much, 'much more than he himself believes.'
 
At the Armistice on November 11, 1918, Heller lay in the hospital. He had already become a non-commissioned officer. No one was left of the original battalion. At Christmas 1918 he could return to Hengelo. He had only seen his parents during a leave during one visit.
He probably wrote his resignation letter himself. In Hengelo he went back to work almost immediately. Heller became the manager of the Trijpweverij. In 1928, ten years after the war, he married. He had a daughter and, a few years later, Dutch nationality.
He keeps himself away from the Germans during the next war. Bombing frightens him. In the basement beneath his house on the Kievitstraat he brings in the middle a wooden bar. His daughter must sit here, when - in 1944 - the bombs fall again around him. At his forty year jubilee, he receives a royal award. Carl Heller is probably one of the few Dutch people who have both a Dutch and a German distinction. In 1982 he dies, almost 89 years old, in Hengelo.
 
Kees Robertus remembers his father-in-law as an extremely pleasant, even cheerful man. ‘He could tell wonderfully. Children from the neighborhood were crazy about him. Then he told the baron von Münchhausen, and other fairy tales from his youth. Yes, he also told about the war. But only the fun, cheerful things.‘
‘Once they slept with a company in a stable and they wondered whether there was any difference in urination between female and male horses. Which of course promptly one of those animals started to pee. He did not speak of the dreadful, however. He told it, as it were. Then you should read what I have read, he always replied.‘
Within the family - besides the manuscript - a few other precious things are kept: the iron cross of Carl Heller, his glasses. Feldpostkarten (Again and again the text: 'Es geht mir gut' (I’m doing well. Red.)) and a watch that he wore when he was literally buried in a grenade funnel near Verdun and still sticks to the earth of the battlefield.
‘He has kept all those things. They were at home with him in a desk. That proves that he must have thought a lot about that war. Yet he has only been back once. In 1962, two years after he had bought his first car. With my mother-in-law, he then searched all the places where he had fought.‘
 
Carl Heller never left his instinct as a front soldier. In the spring of 1940, when the German invasion was imminent, he went every day at the railway tunnel on the Enschedesestraat to see if it was barricaded. ‘He thought it would help. The war of positions of 14-18 determined his world view. He had trenches at the Trijpweverij. Zigzagging, just as he knew them from the western front.‘ How his father-in-law can give his traumatic experiences a place is also a mystery to Robertus. 'He had a very strong character, a determined will to be positive in life, a sense of duty as he had in the war. In retrospect, I sometimes think: the fact that he wrote all of this immediately has been his salvation.' ‘He literally wrote off the war. He who wanted to know what kind of hell he had been sitting on had to read. The first title of the manuscript was: those were my front years. My mother-in-law, a schoolteacher, wrote it down in 1924 for him in a copy of her and probably translated from German. In 1924, at Christmas, she gave it to him as a present. She herself had become an initiate in his secret.‘
 
Heller was limping, but that was not because of the First World War. In 1928 he slipped over a frozen puddle of water on the Twekkelerweg and broke his hip. 'If you survived the trenches, you will be crippled by a piece of ice: if that is not irony.'
 
Only once has Kees Robertus detected something of a trauma during all these years. ‘It was a few years before his death. My wife was visiting him one night, but at a certain point she called me in panic. Father was standing in the hallway, clinging to the banisters and only shouting: ‘Shoot me, shoot me dead!’ As soon as I could, I went there. He was still there, with in his eyes a jet-black fear that I had not seen before. As if it were motivated to me, I said, ‘Come on, old front soldier, will we go upstairs together?’ At the same moment he relaxed and went along ...‘
 
De oorlogsbrieven van onderofficier Carl Heller. Uitgeverij Aspekt. ISBN 90-5911-197-4 (Only Dutch language)
 
Bron: Twentse Courant – Tubantia – 19 november 2003. Click here for the original article (In Dutch)
 
 
 
Share our website